De Clitter

  • Ian Jansen / creative writing / arnhem

Ian Jansen (25) komt uit de Achterhoek en is vooralsnog van plan daar te blijven. Als grootste bezigheid heeft hij het schrijven van fictie met af en toe een reportage tussendoor. Hij heeft in de DRU Cultuurfabriek gewerkt als artist in residence. De tegenstelling en wringen van het milieu waarin hij is opgegroeid (De Achterhoek) en het zijn van een schrijver is duidelijk terug te zien in zijn werk.

 

Waar gaat het verhaal over?

Het hoofdpersonage van De Clitter is deel van vriendengroep De Clitter en werkt in de zagerij van een metaalfabriek. Met De Clitter bouwt hij ieder jaar een kermiswagen. In de metaalfabriek bemant hij de zaagmachines en de afvoering van spaanafval. Daarnaast helpt hij bij het oplichten van zijn eigen bedrijf. Dit doet hij door steekpenningen aan te nemen, want hij weet dat de oudijzerboer de staalcontainers gedubbeld heeft. Dit jaar bouwen ze weer een wagen om in de kermisoptocht mee te rijden en tijdens dat bouwen lijkt de oplichterij waar hij aan deel neemt uit te komen.

 

 

De Clitter

 

Wij zijn met een man of twaalf vriendengroep De Clitter, maar De Clitter is meer. Het is onze dranktafel met 48 gaten, waar twee kratten bier in kunnen, en waarin de naam in de tafel staat gefreesd. En het is ook nog de bungalowhut waar de dranktafel in staat. Die bungalow staat bij Clit thuis, vandaar de naam. Niet dat Clit echt Clit heet. Daarbij, zijn naam gaat niemand iets aan. Wij noemen hem Clit, we hebben er tenslotte de hele vriendengroep naar vernoemd, er nu mee ophouden zou raar zijn. Net als de kermiswagen trouwens, dat was ook De Clitter. Niet dat we ieder jaar dezelfde wagen maken, maar het oude stacaravanframe wat we hadden omgebouwd tot kermiswagenframe en waarop we ieder jaar een andere wagen bouwen, noemen we zo.

 

De Clitter zat aan De Clitter, in De Clitter, om te vergaderen over de bouw van De Clitter. De vergadering liep op niets uit. Het stacaravanframe was nog steeds een stacaravanframe. We waren alleen een paar kratten verder. De koelkast werd nog een keer geopend en iedereen kreeg nog een gouden koude. De gaten in de tafel waren nog niet vol en dat gingen we deze avond ook niet redden. Het was dinsdag.

 

De volgende zaterdag waren we weer op weg naar het volgende feest met een euro of twintig klaar voor de melkbus bij de ingang. Die bus was voor de vrije gift, daarna kon je drinken wat je wilde en zeiken tegen bouwhekken. We waren niet compleet omdat er wat storingsdienst hadden, moesten werken of een vriendin hadden, wat ook werken is. Op de heenweg dronken we een Biertje Voor Onderweg en ouwehoerden wat over de afhakers, het vorige weekend en De Maandag. De Dikke, die niet dik was, zat nu al met zijn kloten in de berm en we waren nog niet eens op de terugweg. Het ging wat worden die avond maar ik had nog geen idee dat ik de volgende dag mijn fiets kon afschrijven. Dat maakte niet uit want die had ik gratis van de camping in de buurt gehaald en ik zou er nog wel een kunnen krijgen. De fiets was door Duitsers, die van de camping bij het dorp vertrokken, achter gelaten, zoals ze met veel dingen doen. In De Clitter stonden onder andere een achtergelaten barbecue, een paar stoelen en een oude koelkast voor het bier. Deze dingen waren eerst in Duitse dienst geweest. Het was altijd alsof Duitsers aan het eind van de vakantie een soort Dolle Dinsdag ervoeren. Niet dat we in die tijd leefden, maar gewoonten slijten moeilijk en dus lieten ze van alles achter.

 

Aangekomen bij het feest donderde ik de fiets aan de kant. Verdomme ik had al een lekke band. Ik had geen idee hoe ik thuis ging komen, dat was van latere zorg. De poort door naar binnen.

 

Daar was de muziek al bezig en was iedereen met bier aan het zeulen. Ik herkende de paal waar ik een paar jaar terug aan het eind van dit feest voor het eerst met mijn ex had gezoend. Daar ga ik geen woorden aan vuil maken. Die hele Kutfuif werd al jaren gehouden en wij gingen er al zeker een paar jaar naartoe.

 

Ik liep voorbij de ingang het erf op. Er werd er een met de armen en benen overboord in een kruiwagen afgevoerd. Waarheen wist ik niet, dat was niet mijn probleem. Badr ging bier halen voor iedereen en wij verspreidden over het erf of gingen hangen aan een statafel. In de tafel was een vierkant uitgezaagd waar een bierkrat in paste. In de loop van de avond werden we allemaal aangeschoten of dronken en stonden de ogen rond een uur of twaalf op half zeven. We hadden het nog een keer over de kermiswagen en wat we dit jaar wilden gaan bouwen en kwamen net als bij de vergadering geen steek verder. Iets met de kerk kon niet meer omdat we dat al twee keer hadden gedaan. Dat was jammer, in het dorp werd er aankomend jaar een vrouw zalig verklaard en dan had je in ieder geval een onderwerp.