Kruimel

  • Lauranne van Grinsven / creative writing / arnhem

Lauranne van Grinsven schrijft het liefst proza. Haar stijl is kort, fragmentarisch, teder en rauw. Het thema loslaten en vasthouden staat centraal in haar werk. In 2013 won ze de voorronde van Write Now! in Arnhem. Ze draagt voor op verschillende podia. Ze studeert af met een fragmentarische bundel waarin haar fascinatie voor de relatie tussen mens en dier in korte stukken wordt uitgewerkt. Wanneer je een hond aait, komt namelijk hetzelfde stofje vrij in je hersenen als wanneer je bevalt van een baby. Oxytocine, het hechtingshormoon.

 

 

Kruimel

 

I.

Kruimel heeft een rollijn. Het idee daarvan is dat hij ver kan rennen, zonder dat ik me hoef te verplaatsen. Hij kan rennen tot ik op de knop druk, totdat ik bepaal: tot hier en niet verder. Alsof hij tegen een onzichtbare muur aan loopt en dan kijkt hij om met zijn tong uit zijn mond.

 

‘Goed op hem passen,’ zegt mijn moeder. Ze kijkt of ik hem goed vast heb gemaakt, of de hond wel echt aan de lijn zit. Ze geeft hem een kus en drukt hem in mijn armen. Met twee handen om hem heen til ik hem naar de voordeur, het dier languit, bungelend met zijn achterpootjes boven de vloer, zijn oren in zijn nek.

 

We lopen dezelfde ronde die we altijd lopen. Over de stoep, richting de brievenbus. Langs een standbeeld van drie dansende hazen die geen echte hazen zijn, maar mensen in een hazenpak. Kruimel rent, steeds harder en hij komt dichter bij het standbeeld. Hij staat met zijn pootjes al tussen de planten die eromheen groeien. Het groen aait zijn buik. Ik roep ‘Kruimel’, maar hij doet alsof hij me niet hoort. Het zoevende geluid van de lijn die alsmaar verder uitrolt.
Ik denk aan het verhaal van het journaal. Aan de in het vet gebakken sponzen. Tientallen dode dieren. Als de hond de sponzen opeet zal het uitzetten in zijn maag. Hij zwelt langzaam op, zijn buik steeds boller, zijn vel strak. En dan is het te laat. We kunnen met stoelen om hem heen gaan zitten, wachten tot hij knapt.

 

‘Nee,’ roep ik ‘Kruimel, niet doen’. En ik trek aan het riempje, zo hard dat zijn nageltjes over de stoep krassen en de hond kokhalst. Dan zeg ik sorry, maar daarna doe ik het weer. Ik sleur hem van de ene zijde naar de andere zijde. Met zijn pootje opgetild in de lucht, breng ik hem met een korte ruk uit evenwicht. Wanneer hij blijft bewegen is er geen moment dat hij vergiftigd wordt. Kruimel zal geen sponzen eten.

 

Wanneer we thuiskomen, springt hij tegen de voordeur van blijdschap en wanneer hij mijn moeder ziet, laat hij het lopen. Een vlek felgele plas op het tapijt en mijn moeder is niet boos, maar haar ogen staan verdrietig en ze kijkt naar hem en dan zegt ze: ‘Je komt net van buiten’. En dat is hoe het altijd gaat.

 

 

II.

De dierenarts komt binnen. Hij is lang met grijze krullen aan weerszijden van zijn hoofd. Hij heeft handen zo groot als een konijn.
‘Het is een bekende ouderdomskwaal,’ zegt hij. ‘Maar we zien zelden bij zo’n jong beest dat hij het niet op kan houden.’
‘Doen we er wel goed aan?’ vraagt mijn vader.

‘Stelt u zich eens voor dat u constant uw urine laat lopen, hoe zou u zich dan voelen?’

Mijn ouders knikken. Ik knik mee, maar ik weet niet hoe ik me zou voelen. Ik weet wel dat ik later niet in mijn broek wil plassen. Ik weet wel dat ik geen spuitje wil.

 

Nog geen uur geleden trippelde Kruimel nog door de kamer, liep hij nog even door de tuin en snel weer naar binnen omdat het koud was, omdat hij niet hield van de kou aan zijn poten. Nu ligt hij daar, gewikkeld in een roze fleece kleed. Niet veel later dan dat hij in slaap viel, liep al zijn urine in zijn mand. En ik zag mijn moeder nog denken: je komt net van buiten. En dan begint het. Ze leunt over hem heen. Drukt haar neus tegen hem aan en stopt niet met huilen. De vacht van het beest plakt aan elkaar. Plukken haar hangen als kleine driehoeken bijeen. Ze laat hem niet los, ook al zegt mijn vader dat het zo niet gaat.

 

 

III.

Er komt een nieuwe Kruimel. Een waar we opnieuw van kunnen houden, een om mijn moeder te troosten. Het ritueel is hetzelfde. We pakken de riem die aan een haakje in de keuken hangt. Gespen het dier zo stevig mogelijk vast en stappen dan met grote passen naar buiten, maar de hond blijft ons altijd voor.

 

De nieuwe hond snuffelt, loopt van links naar rechts door de berm en ik kan het niet bijhouden. Ik zie niet wat hij doet en dat maakt me bang, omdat ik er niet weer een wil verliezen. Ik druk op de knop van de rollijn en trek het beest naar me toe, laat de knop los en zie het touw verdwijnen in het handvat. Het voelt alsof ik een vis binnenhaal en ik hoor zijn nagels over het beton krassen, precies hetzelfde geluid als het krassen van Kruimel. Mijn buik krimpt ineen, terwijl mijn moeder zegt: je moet niet zo trekken aan dat beest, anders kan hij nooit ergens plassen.