Vos en Levi

  • Jorina van der Laan / creative writing / arnhem

Jorina van der Laan schrijft zowel proza als poëzie. Ze droeg onder andere voor bij Het Nationale Gedichtenbal en heeft bijgedragen aan Theatergezelschap Nachtgasten. Voor haar afstudeerwerk schrijft ze, onder begeleiding van Dennis Gaens, een dichtbundel over een vriendengroep die voor de buitenwereld waterdicht lijkt, maar van binnenuit begint te lekken.

 

Jorina won de Nieuwe Types Afstudeerprijs. Deze prijs bekroont het beste afstudeerwerk van een student aan de één van de kunstvakopleidingen in ons taalgebied waar schrijven wordt gedoceerd: Woordkunst aan het conservatorium Antwerpen, Writing for Perfomance aan de HKU, Taal en Beeld aan de Rietveld en Creative Writing aan ArtEZ. De jury bestond uit Sebastiaan Kort (criticus NRC Handelsblad), Annet Mooij (hoofdredacteur De Gids), redacteur Harminke Medendorp en schrijver Joke van Leeuwen. De tientallen inzendingen werden geanonimiseerd beoordeeld. De jury koos unaniem voor het afstudeerwerk van Jorina.

 

 

Vos en Levi
Als Vos de Hoge Riet op fietst, stuift het zand op achter zijn banden. Levi staat op zijn bagagedrager. Hij heeft zijn shirt om zijn middel geknoopt en in zijn handen een blikje frisdrank en een sigaret. De jongens hebben hetzelfde slechte postuur, hetzelfde sluike haar en dezelfde onverschilligheid. Als we ‘s avonds op de spoorrails liggen, tussen het dorp en Veldwijk in, rennen zij pas weg als ze de trein zien komen. Ik blijf alleen maar liggen, omdat zij dat doen. In mijn hoofd sta ik al in de berm. We waren vijftien en mager toen we besloten ons af te zetten tegen het idee dat we niet gemaakt zijn om op onszelf te staan en dat elke wolf een roedel nodig heeft. Vos en Levi fluiten me naar zich toe. Ik dacht altijd dat ik ouder zou zijn voordat ik mijn vader gelijk zou geven.

 

Lise
Op de skatebaan, naast Calluna, kijken we niet op tegen de jongens die blijven staan, maar tegen de jongens die ontkennen dat ze vallen en, ondanks hun gebroken botten, overeind blijven komen. Het is de laatste dag van september als het skateboard van Pepijn onder zijn voeten vandaan schiet. Zijn shirt is gescheurd en zijn elleboog staat in een vreemde hoek langs zijn lichaam. Vos, die op het hekwerk zit te roken, gooit zijn sigaret naast zich neer om te applaudisseren. Zijn ogen lichten op als hij een moeder haar dochter haastig naar het zwembad ziet duwen, als hij een man om ons heen ziet lopen die groter of in elk geval sterker moet zijn. Hij zegt dat de mensen hem koud laten, dat wij de enigen zijn door wie hij opgemerkt wil worden, maar ik zie dat hij liegt. Mij had het nooit uitgemaakt. Toen kwam Lise.

 

Pepijn
Toen Pepijn me op een avond naar huis was gevolgd, had hij gezien dat ik eerder afsloeg en door een onbekend raam naar binnenklom. Hij had een ratelmat door de brievenbus gegooid. Lise had haar kat mee naar de dierenarts moeten nemen en haar moeder huilde aan de keukentafel. Ik zei dat ik sigaretten ging halen. Als ik bij het Ribespad ben afgeslagen en de garagedeur omhoogtrek, zie ik dat Pepijn een gat in zijn drumstel geslagen heeft. We weten allebei dat ik te laat en betrapt ben om sorry te zeggen, dus zeg ik niets. ‘Maak je geen zorgen. Ik sla pas als Vos zegt dat ik moet slaan. Tot dan wacht ik.’ Als hij lacht, zie ik zijn gebroken voortanden. Zijn drumstokken heeft hij als een belofte in zijn broekzak gestoken.